De Hoogduitse Kwakzalver


De Hoogduitse Kwakzalver van W.Focquenbroch(1664). Duur: ca.20 min.
Vertaling: (c) JFJ Volkers (2004/2012) met dank aan J.Helwig voor transcriptie

KwakzalverJS_museumGouda_detailIMG_5653doek

Dit is de allereerste vertaalde/bewerkte klucht door voorzitter Volkers.
Deze klucht was lange tijd het meest opgevoerde stuk. In tegenstelling tot vele andere kluchten is niet overspel, maar de goedgelovigheid van de mens het thema. In 2014 staat de klucht weer op het programma (o.a. in Doesburg en Noordwijkerhout).
Leuk bijkomend feit is dat de kwakzalver door grote Hollandse meesters als Gerrit Dou en Jan Steen (zie foto’s: de Kwakzalver van J.Steen, museum Gouda en de Dorpskermis van Jan Steen, museum Bredius Den Haag) regelmatig is afgebeeld. Bij Jan Steen zelfs als onderdeel van een klucht, een vrij zeldzaam iets!

De schrijver Focquenbroch, geboren in Amsterdam (rond 1640), was geneesheer en is volgens Ornée vooral bekend geworden door “zijn burleske poëzie, waarin hij dikwijls de tabak en de wijn hoger taxeerde dan het vrouwelijk schoon”. J.C.Feller noemt hem “een van de merkwaardigste figuren in de 17e eeuw” en spreekt zelfs van “deze literaire provo van de 17e eeuw” (voorwoord ‘De verwarde jalousy’).
Focquenbroch had niets met zijn ‘geldzuchtige’ geboortestad:
Hij hekelde de handelsgeest, de modegrillen, het winstbejag. Feller noemt zijn dichterschap diep tragisch.
Zijn vrolijkheid is maar schijn. Het is de humor die hem staande houdt in alle ellende.

Op 28-jarige leeftijd vertrok hij naar Guinee om werkzaam te zijn voor de Westindische Compagnie, om daar reeds op 30-jarige leeftijd (vermoedelijk) aan een epidemie te bezwijken. Zijn lijfspreuk was FGM: Fumus Gloria Mundi ofwel Des Werelts Glorie is maer Roock/Roock is ’s Werelts Glory oock. Hij was zich maar al te bewust van het betrekkelijke van het leven, zo blijkt.

Inhoud:
Kwakzalver Hans Keyenvresser denkt dat hij een ieder te slim af is. Een boer(in) bedonderen lukt hem makkelijk.  Assistent Jan meent dat hij z’n medemens nog beter kan bedriegen. Wie dit gaat winnen?

Openingsscène van het stuk:

Jan: Als een mens even schraal is in de kleren
als mager in het geld:
Is er dan een schepsel dat hem niet kwelt?
Het zijn niet alleen de hoge heren en de boeren die mij doen lijden,
maar
(al krabbend) zelfs de vlooien en luizen komen je bestrijden!
Ze lopen mijn lichaam zó erg plat.
Krab ik nu eerst m’n hoofd … of mijn gat?
Al zijn ze uit mijn eigen vlees en bloed geboren,
toch…toch moet ik ze bij hun werk storen.
Soms sla ik er wel zo’n zeshonderd dood,
maar niet allemaal natuurlijk, want in tijden van hongersnood…

(plukt luis uit z’n haar) is dat wel mooi kaasie op je brood!

Website gemaakt en onderhouden door Stef Haubrich